Zorgpad

Overactieve blaas

U heeft last van een overactieve blaas als u vaak een niet te beheersen aandrang heeft om te plassen en u meer dan acht keer per dag gaat plassen bij maximaal 2 liter drinken per dag. Na het plassen kan u het gevoel hebben dat uw blaas nog niet helemaal leeg is.

  1. Aandoening

    Overactieve blaas: kenmerken en oorzaken

    Een overactieve blaas is een blaas waar u geen controle meer over heeft. De blaas trekt te heftig en te vaak samen. Dit kan vervelende gevolgen hebben in het dagelijks leven.

    Kenmerken van een overactieve blaas zijn:

    • Het niet meer kunnen ophouden van uw plas als u aandrang voelt.
    • Heel vaak moeten plassen (meer dan acht keer per dag en meer dan één keer per nacht). 
    • Vaak een sterke aandrang voelen om te plassen.
    • De overactieve blaas komt bij 10 procent van de volwassenen voor. Zowel mannen als vrouwen kunnen last hebben van een overactieve blaas.
    Oorzaak
    Vaak is er geen duidelijke oorzaak te vinden voor een overactieve blaas. Mogelijke oorzaken zijn: 
     
    • Afwijkingen in de blaas, zoals blaasontstekingen, prostaataandoeningen, blaasstenen en blaastumoren.
    • Medicijnen. Soms is de overactieve blaas een bijwerking van plaspillen of antidepressiva.
    • Beschadigingen of een aandoening van de zenuwen, zoals bijvoorbeeld bij MS, een dwarslaesie, Alzheimer of Parkinson.
    • Bestraling in het blaasgebied.
    • Overmatig gebruik van koolzuurhoudende dranken, alcohol, cafeïnehoudende dranken, nicotine of drugs kunnen de blaas sterk prikkelen. Ook stress kan een rol spelen. 
    • Bekkenbodemproblemen, zoals het te vaak aanspannen van de bekkenbodemspieren (overactieve bekkenbodemspieren).

    Lees hier meer over overactieve bekkenbodemspieren

    Door de verhoogde spanning wordt de bekkenbodem omhoog getrokken en deze drukt dan tegen de onderkant van de blaas, de zogenaamde blaasbodem. Juist in dit gedeelte van de blaas bevinden zich veel zenuwen zodat de blaas juist op dit punt uiterst prikkelbaar is. Als reactie op de druk van de bekkenbodem, gaat de blaas zich samentrekken. Zo krijgt u steeds weer het gevoel dat u moet plassen, gaat u vaak naar het toilet en plast steeds maar kleine beetjes. Ook kan het zijn dat u door de hoge spierspanning niet meer weet en voelt hoe u moet ontspannen waardoor u ook niet meer goed kunt plassen. Het gebeurt zelfs, dat het plassen niet meteen op gang komt.

  2. Verwijzing

    Vragenlijst en afspraak

    U kunt voor uw klachten terecht bij het Bekkenbodemcentrum. U heeft wel een verwijzing nodig van uw huisarts. Bespreek uw klachten met uw huisarts. Als het nodig is kan uw huisarts u naar het Bekkenbodemcentrum verwijzen. U kunt ook verwezen worden door een andere specialist zoals de uroloog, gynaecoloog, MDL-arts (Maag-Darm-Lever-arts), chirurg of seksuoloog.
     
    Vragenlijst
    Na de verwijzing krijgt u een vragenlijst opgestuurd. Het is belangrijk dat u deze zorgvuldig invult. Mocht u moeite hebben met het invullen van deze lijst, bel dan gerust even met het Bekkenbodemcentrum. Wij helpen u graag.
     
    Bij de vragenlijst zit een plasdagboek en afhankelijk van uw klachten zo nodig een poepdagboek. Sommige vrouwen zien op tegen het invullen van deze lijsten. Toch is het heel belangrijk deze lijsten zo goed mogelijk in te vullen, omdat ze belangrijke aanvullende informatie geven over uw klachten. Op deze manier voorkomen we dat u onnodige onderzoeken krijgt. 
     
    Afspraak
    Afhankelijk van de verwijsbrief en de informatie die wij uit de vragenlijsten hebben gehaald, krijgt u een op uw klachten toegespitste afspraak op ons Bekkenbodemcentrum. 
     
    Er zijn drie mogelijkheden:
    • U krijgt een afspraak met de uroloog.
    • U krijgt een afspraak met de bekkenfysiotherapeut en de uroloog.
    • U krijgt een afspraak voor een multidisciplinair onderzoek. Dit houdt in dat u een afspraak krijgt met zorgverleners uit verschillende vakgebieden: een continentieverpleegkundige, bekkenfysiotherapeut, gynaecoloog en uroloog. Op deze manier proberen we te zorgen dat u in één afspraak al het benodigde onderzoek krijgt en er direct een diagnose en behandelplan opgesteld kan worden.

    Lees hier meer over het multidisciplinaire spreekuur

    Voorafgaand aan de onderzoeken heeft u een gesprek met de continentieverpleegkundige. In dit gesprek worden uw klachten, problemen en verwachtingen besproken en krijgt u de gelegenheid al uw vragen te stellen. Zij bespreekt uw klachten met u en de vragenlijsten die u heeft ingevuld.

    Afspraken
    Daarna heeft u afspraken met de bekkenfysiotherapeut, de uroloog en/of de gynaecoloog. Voor de onderzoeken moet u de kleding van uw onderlichaam en uw schoenen uittrekken. We raden u daarom aan om makkelijke kleding en schoenen te dragen. Ook is het belangrijk om te weten welke medicatie u gebruikt. U kunt van tevoren een actueel medicatieoverzicht opvragen bij uw apotheek en dit meenemen naar uw afspraak in het Bekkenbodemcentrum.

    Overleg
    Als u bij de verschillende specialisten bent geweest en de benodigde onderzoeken zijn gedaan, wordt u multidisciplinair besproken en naar aanleiding van dit overleg krijgt u een diagnose en worden de behandelmogelijkheden met u besproken. Indien nodig kan de arts u doorverwijzen naar een andere specialist voor aanvullend onderzoek.

    Veel mensen vinden het prettig om een vertrouwd iemand mee te nemen. Dat mag altijd. U kunt al ons al uw vragen stellen, zodat u niet met onduidelijkheden of andere vragen naar huis gaat. Als er thuis toch nog vragen bij u opkomen, aarzel dan niet om te bellen.

  3. Onderzoeken

    Diagnose stellen

    Onderzoek bij de uroloog
    De uroloog vraagt onder meer naar uw voorgeschiedenis, het gebruik van medicijnen en bij vrouwen naar het aantal bevallingen. De arts kijkt bij lichamelijk onderzoek naar uw buik en bij het inwendig onderzoek bij vrouwen naar de spieren aan de onderkant rond de vagina. Dit is de bekkenbodem. Misschien vraagt hij of u wilt hoesten of persen. 

    De uroloog kan de volgende onderzoeken doen:

    Plasdagboek

    Bij de vragenlijst die u heeft ontvangen is aan u gevraagd om een plasdagboek bij te houden. Dit is een formulier waarop u bijhoudt hoeveel u drinkt, hoeveel u plast en wanneer u urine verliest. Het is belangrijk dat u dit plasdagboek tenminste twee dagen bijhoudt. De uroloog bespreekt dit plasdagboek met u.

    Urinetest

    Zo nodig onderzoeken we uw urine, om te zien of u een blaasontsteking hebt.

    Plastest (uroflowmetrie)

    Bij deze test plast u op een speciaal toilet. Hiermee kunnen we de kracht van de urinestraal meten. Na het plassen meten we met een echoapparaat hoeveel urine er in de blaas is achtergebleven.

    Een cystoscopie

    Een cystoscopie is een inwendig onderzoek van uw plasbuis en blaas. Bij dit onderzoek wordt een kijkbuis (cystoscoop) via uw plasbuis naar uw blaas geschoven. De uroloog kan zo uw plasbuis en blaas bekijken. Na dit onderzoek heeft u een volle blaas. Er wordt aan u gevraagd om uit te plassen op een speciaal toilet (plastest of uroflowmetrie). U kunt na het onderzoek een wat branderig gevoel hebben bij het plassen. Door veel te drinken verdwijnt dit gevoel weer snel.

    Lees meer over een cystoscopie in deze folder

    Blaasfunctieonderzoek (urodynamisch onderzoek)

    Bij dit onderzoek worden er slangetjes ingebracht in de blaas en de endeldarm. Als de blaas wordt gevuld met water, meten we de druk in de blaas en de darm. Tijdens het plassen meten we de stroomsnelheid van de urinestraal en de druk in de blaas. Zo onderzoeken we hoe de blaasspier en de sluitspier werken.

    Lees meer over een blaasfunctieonderzoek in deze folder

    Luiertest (padtest)

    U draagt dan een inlegger of luier voor een vaste periode, bijvoorbeeld 1 uur of 24 uur. Daarna wordt deze gewogen en kunnen we precies meten hoeveel urineverlies u hebt gehad.

    Onderzoek bij de bekkenfysiotherapeut
    De bekkenfysiotherapeut doet een bekkenbodemspierfunctie-onderzoek. Dit houdt in dat er eerst uitwendig wordt gekeken wordt of u de bekkenbodemspieren kan aanspannen. Daarna wordt er inwendig onderzoek via de vagina gedaan met betrekking tot de bekkenbodemspieren. De bekkenbodemspieren worden beoordeeld op kracht, snelheid , uithoudingsvermogen en of de spieren op het goede moment aanspannen, bijvoorbeeld bij hoesten. Er wordt ook gekeken of de bekkenbodemspieren goed ontspannen, zodat u goed kunt leegplassen en -poepen.

    Onderzoek bij de gynaecoloog
    Het gynaecologisch onderzoek bestaat uit twee onderdelen. Eerst krijgt u een inwendig onderzoek waarbij de gynaecoloog onder andere kijkt of er sprake is van één of meerdere verzakkingen. Indien van toepassing krijgt u daarna een inwendig echografisch onderzoek, waarbij uw baarmoeder en de eierstokken beoordeeld worden.

    Lees hier meer over het inwendig onderzoek

    Het inwendig onderzoek bestaat meestal uit vier onderdelen:

    • Kijken naar de uitwendige geslachtsorganen, zoals de schaamlippen.
    • Vaginaal onderzoek met een spreider, ook wel eendenbek genoemd. Hiermee kan de vagina en de baarmoedermond worden onderzocht.
    • Inwendig voelen naar de inwendige geslachtsorganen, zoals de baarmoeder en de eierstokken. Om dit goed te kunnen voelen, zal de gynaecoloog met een handschoen aan twee vingers in de vagina brengen.
    • Inwendige (en soms uitwendige) echo. Bij een echo-onderzoek wordt een echokop via de vagina (inwendig), tegen de ingang van de schede (uitwendig) of op de buik (uitwendig) gebruikt. De echokop zendt onschadelijke geluidstralen uit en hierdoor verschijnt er een afbeelding van je bekkenbodem, blaas, baarmoeder, eierstokken en darmen op het beeldscherm. Op deze manier kan de gynaecoloog op zoek naar eventuele afwijkingen.

    Het inwendig onderzoek hoort niet pijnlijk te zijn. Als u toch pijn ervaart kunt u dit op elk moment aangeven. Tijdens het onderzoek zal de gynaecoloog beoordelen of u enkel een baarmoederverzakking hebt (of vaginatopverzakking als uw baarmoeder in het verleden verwijderd is). Of dat u daarnaast ook een blaas- of darmverzakking hebt.

    Diagnose
    Aan het eind van het dagdeel bespreken de hulpverleners die u onderzocht hebben hun bevindingen met elkaar. Zij bespreken ook wat de beste behandeling voor u is. Uw arts bespreekt daarna dit behandelvoorstel met u. De assistente van het Bekkenbodemcentrum maakt vervolgens met u de afspraken voor eventuele verdere behandeling. Indien nodig kan de arts u doorverwijzen naar een andere specialist voor aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld de Maag-Darm-Lever-arts of de colorectaal chirurg.

  4. Behandeling

    Verschillende behandelmogelijkheden

    Afhankelijk van de oorzaak van de overactieve blaas kan de behandeling bestaan uit een of meerdere behandelingen:
     
  5. Herstel

    Na de behandeling

    Van de patiënten die met neuromodulatie worden behandeld, is de behandeling in 70 procent van de gevallen succesvol. Patiënten die met succes zijn behandeld blijven onder controle waarbij de batterij elke 3 tot 5 jaar vervangen moet worden.
     
    Van de behandelde patiënten met Botox heeft 95 procent een verbetering van de klachten. 75 tot 80 procent is heel tevreden.
     
Naar boven