Hier vindt u veelgestelde vragen en antwoorden over corona. Lees meer

Zorgpad

Niet goed leeg kunnen plassen

U kunt niet plassen, niet goed uitplassen of u voelt niet dat uw blaas vol zit. Dit wordt ook urineretentie genoemd. Hierdoor blijft plas achter in de blaas.

U bent nu hier

HomepageBekkenbodemcentrumAandoeningenBlaasklachtenNiet goed leeg kunnen plassen
  1. Aandoening

    Niet goed leegplassen: symptomen

    Urineretentie is een ophoping van urine in de blaas, omdat men niet meer kan plassen of slechts kleine beetjes plast. Retentie betekent letterlijk: vasthouden. Als u opeens niet meer kunt plassen (acute urineretentie) kan er pijn ontstaan, omdat de blaaswand uitrekt. 

    Steeds minder goed
    Het kan ook zijn dat u in de loop van de tijd steeds minder goed kunt leegplassen (chronische urineretentie), omdat de blaasspier niet sterk genoeg is of omdat uw bekkenbodemspieren te gespannen zijn. De hoeveelheid urine die in de blaas achterblijft, wordt dan steeds groter. Meestal is deze vorm niet pijnlijk, omdat de blaasvulling langzaam gaat.

    Symptomen
    Klachten die ontstaan bij een acute urineretentie ontwikkelen zich binnen enkele uren en zijn:
    • buikpijn;
    • een pijnlijke aandrang om te plassen zonder dat te kunnen.
    De kenmerken van een chronische urineretentie ontwikkelen zich meestal langzaam en veroorzaken geen pijn:
    • het plassen komt moeilijk op gang;
    • terugkerende aandrang tot plassen;
    • een opgezette buik;
    • een slappe urinestraal die eindigt met druppelen;
    • kleine beetjes urine verliezen.

    Klik hier voor de oorzaken bij vrouwen

    • Vaginale verzakkingen dan wel van blaas, rectum of baarmoeder;
    • Afwijkingen van de plasbuis;
    • Operaties voor urineverlies;
    • Tumoren in het kleine bekken;
    • Fowler Syndroom; overactiviteit van de plasbuis-sluitspier.

    Klik hier voor de oorzaken bij mannen

    • Een goedaardige of kwaadaardige prostaatproblemen;
    • Een prostaatabces (met pus gevulde zwelling), een plasbuisvernauwing (urethrastrictuur) of een vernauwing van de voorhuis (phimosis);
    • Een vernauwing van de blaasuitgang door een goedaardige prostaatvergroting (PBH). De prostaat ligt om de urinebuis heen. Als de prostaat groeit kan deze de urinebuis dichtdrukken. Dit leidt tot een vernauwing of afsluiting van de blaasuitgang (obstructie). Hierdoor kan de urine moeilijk uit de blaas en ontstaan plasproblemen.
    • Verminderde spierkracht in de blaaswand. Onder andere door zenuwbeschadiging.

    Risicofactoren die de kans op urineretentie vergroten

    • In korte tijd veel (alcohol) drinken. Vooral als er al sprake is van een prostaatobstructie (man);
    • De verwijdering van een katheter;
    • Medicijnen;
    • Operaties;
    • Bloeding in de blaas;
    • Pijn in het bekken;
    • Onbeweeglijkheid na een operatie;
    • Schade aan zenuwen;
    • CVA (herseninfarct);
    • Dwarslaesie;
    • Trauma van de plasbuis;
    • Obstipatie;
    • Blaasschade door diabetes mellitus.
  2. Verwijzing

    Vragenlijst en afspraak

    Bij acute urineretentie komen zowel mannen als vrouwen op de poli Urologie of op de Spoedeisende Hulp terecht. Vrouwen met als enige klacht chronische urineretentie en mannen komen met terecht op de poli Urologie. 

    Verwijzing
    Vrouwen kunnen terecht bij het Bekkenbodemcentrum als ze naast chronische urineretentieklachten ook andere klachten hebben, zoals vaak plassen, urineverlies, terugkerende blaasontstekingen, verzakkingsklachten van de blaas, baarmoeder of darm. U heeft wel een verwijzing nodig van uw huisarts. 

    Bespreek uw klachten met uw huisarts. Als het nodig is kan uw huisarts u naar het Bekkenbodemcentrum verwijzen. U kunt ook verwezen worden door een andere specialist zoals de uroloog, gynaecoloog, MDL-arts (Maag-Darm-Lever-arts), chirurg of seksuoloog.
     
    Vragenlijst
    Na de verwijzing krijgt u een vragenlijst opgestuurd. Het is belangrijk dat u deze zorgvuldig invult. Mocht u moeite hebben met het invullen van deze lijst, bel dan gerust even met het Bekkenbodemcentrum. Wij helpen u graag.
     
    Bij de vragenlijst zit een plasdagboek en afhankelijk van uw klachten zo nodig een poepdagboek. Sommige vrouwen zien op tegen het invullen van deze lijsten. Toch is het heel belangrijk deze lijsten zo goed mogelijk in te vullen, omdat ze belangrijke aanvullende informatie geven over uw klachten. Op deze manier voorkomen we dat u onnodige onderzoeken krijgt. 
     
    Afspraak
    Afhankelijk van de verwijsbrief en de informatie die wij uit de vragenlijsten hebben gehaald, krijgt u een op uw klachten toegespitste afspraak op ons Bekkenbodemcentrum. 
     
    Er zijn drie mogelijkheden:
    • U krijgt een afspraak met de uroloog;
    • U krijgt een afspraak met de bekkenfysiotherapeut en de uroloog;
    • U krijgt een afspraak voor een multidisciplinair onderzoek. Dit houdt in dat u een afspraak krijgt met zorgverleners uit verschillende vakgebieden: een continentieverpleegkundige, bekkenfysiotherapeut, gynaecoloog en uroloog. Op deze manier proberen we te zorgen dat u in één afspraak al het benodigde onderzoek krijg en er direct een diagnose en behandelplan opgesteld kan worden.

    Lees hier meer over het multidisciplinaire spreekuur

    Voorafgaand aan de onderzoeken heeft u een gesprek met de continentieverpleegkundige. In dit gesprek worden uw klachten, problemen en verwachtingen besproken en krijgt u de gelegenheid al uw vragen te stellen. Zij bespreekt uw klachten met u en de vragenlijsten die u heeft ingevuld.

    Afspraken
    Daarna heeft u afspraken met de bekkenfysiotherapeut, de uroloog en/of de gynaecoloog. Voor de onderzoeken moet u de kleding van uw onderlichaam en uw schoenen uittrekken. We raden u daarom aan om makkelijke kleding en schoenen te dragen. Ook is het belangrijk om te weten welke medicatie u gebruikt. U kunt van tevoren een actueel medicatieoverzicht opvragen bij uw apotheek en dit meenemen naar uw afspraak in het Bekkenbodemcentrum.

    Overleg
    Als u bij de verschillende specialisten bent geweest en de benodigde onderzoeken zijn gedaan, wordt u multidisciplinair besproken en naar aanleiding van dit overleg krijgt u een diagnose en worden de behandelmogelijkheden met u besproken. Indien nodig kan de arts u doorverwijzen naar een andere specialist voor aanvullend onderzoek.

    Veel mensen vinden het prettig om een vertrouwd iemand mee te nemen. Dat mag altijd. U kunt al ons al uw vragen stellen, zodat u niet met onduidelijkheden of andere vragen naar huis gaat. Als er thuis toch nog vragen bij u opkomen, aarzel dan niet om te bellen.

  3. Onderzoeken

    Diagnose stellen

    Onderzoek bij de uroloog
    De uroloog vraagt onder meer naar uw voorgeschiedenis, het gebruik van medicijnen en bij vrouwen naar het aantal bevallingen. De arts kijkt bij lichamelijk onderzoek naar uw buik en bij het inwendig onderzoek bij vrouwen naar de spieren aan de onderkant rond de vagina. Dit is de bekkenbodem. Misschien vraagt hij of u wilt hoesten of persen. 

    De uroloog kan de volgende onderzoeken doen:

    Plasdagboek

    Bij de vragenlijst die u heeft ontvangen is aan u gevraagd om een plasdagboek bij te houden. Dit is een formulier waarop u bijhoudt hoeveel u drinkt, hoeveel u plast en wanneer u urine verliest. Het is belangrijk dat u dit plasdagboek tenminste twee dagen bijhoudt. De uroloog bespreekt dit plasdagboek met u.

    Urinetest

    Zo nodig onderzoeken we uw urine, om te zien of u een blaasontsteking hebt.

    Plastest (uroflowmetrie)

    Bij deze test plast u op een speciaal toilet. Hiermee kunnen we de kracht van de urinestraal meten. Na het plassen meten we met een echoapparaat hoeveel urine er in de blaas is achtergebleven.

    Een cystoscopie

    Een cystoscopie is een inwendig onderzoek van uw plasbuis en blaas. Bij dit onderzoek wordt een kijkbuis (cystoscoop) via uw plasbuis naar uw blaas geschoven. De uroloog kan zo uw plasbuis en blaas bekijken. Na dit onderzoek heeft u een volle blaas. Er wordt aan u gevraagd om uit te plassen op een speciaal toilet (plastest of uroflowmetrie). U kunt na het onderzoek een wat branderig gevoel hebben bij het plassen. Door veel te drinken verdwijnt dit gevoel weer snel.

    Lees meer over een cystoscopie in deze folder

    Blaasfunctieonderzoek (urodynamisch onderzoek)

    Bij dit onderzoek worden er slangetjes ingebracht in de blaas en de endeldarm. Als de blaas wordt gevuld met water, meten we de druk in de blaas en de darm. Tijdens het plassen meten we de stroomsnelheid van de urinestraal en de druk in de blaas. Zo onderzoeken we hoe de blaasspier en de sluitspier werken.

    Lees meer over een blaasfunctieonderzoek in deze folder

    Luiertest (padtest)

    U draagt dan een inlegger of luier voor een vaste periode, bijvoorbeeld 1 uur of 24 uur. Daarna wordt deze gewogen en kunnen we precies meten hoeveel urineverlies u hebt gehad.

    Onderzoek bij de bekkenfysiotherapeut
    De bekkenfysiotherapeut doet een bekkenbodemspierfunctie-onderzoek. Dit houdt in dat er eerst uitwendig wordt gekeken wordt of u de bekkenbodemspieren kan aanspannen. Daarna wordt er inwendig onderzoek via de vagina gedaan met betrekking tot de bekkenbodemspieren. De bekkenbodemspieren worden beoordeeld op kracht, snelheid , uithoudingsvermogen en of de spieren op het goede moment aanspannen, bijvoorbeeld bij hoesten. Er wordt ook gekeken of de bekkenbodemspieren goed ontspannen, zodat u goed kunt leegplassen en -poepen.
     
    Onderzoek bij de gynaecoloog
    De gynaecoloog zal eerst in een gesprek een aantal vragen stellen. Deze vragen gaan bijvoorbeeld over de reden van uw bezoek, over uw klachten en uw algemene gezondheid. Daarna vindt er vaak een (inwendig) onderzoek plaats.

    Lees hier meer over het inwendig onderzoek

    Het inwendig onderzoek bestaat meestal uit vier onderdelen:

    • Kijken naar de uitwendige geslachtsorganen, zoals de schaamlippen.
    • Vaginaal onderzoek met een spreider, ook wel eendenbek genoemd. Hiermee kan de vagina en de baarmoedermond worden onderzocht.
    • Inwendig voelen naar de inwendige geslachtsorganen, zoals de baarmoeder en de eierstokken. Om dit goed te kunnen voelen, zal de gynaecoloog met een handschoen aan twee vingers in de vagina brengen.
    • Inwendige (en soms uitwendige) echo. Bij een echo-onderzoek wordt een echokop via de vagina (inwendig), tegen de ingang van de schede (uitwendig) of op de buik (uitwendig) gebruikt. De echokop zendt onschadelijke geluidstralen uit en hierdoor verschijnt er een afbeelding van je bekkenbodem, blaas, baarmoeder, eierstokken en darmen op het beeldscherm. Op deze manier kan de gynaecoloog op zoek naar eventuele afwijkingen.

    Het inwendig onderzoek hoort niet pijnlijk te zijn. Als u toch pijn ervaart kunt u dit op elk moment aangeven. Tijdens het onderzoek zal de gynaecoloog beoordelen of u enkel een baarmoederverzakking hebt (of vaginatopverzakking als uw baarmoeder in het verleden verwijderd is). Of dat u daarnaast ook een blaas- of darmverzakking hebt.

    Diagnose
    Aan het eind van het dagdeel bespreken de hulpverleners die u onderzocht hebben hun bevindingen met elkaar. Zij bespreken ook wat de beste behandeling voor u is. Uw arts bespreekt daarna dit behandelvoorstel met u. De assistente van het Bekkenbodemcentrum maakt vervolgens met u de afspraken voor eventuele verdere behandeling. Indien nodig kan de arts u doorverwijzen naar een andere specialist voor aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld de Maag-Darm-Lever-arts of de colorectaal chirurg.
  4. Behandeling

    Verschillende behandelmogelijkheden

    Acute urineretentie
    Bij een acute urineretentie is het van belang om de urine weg te laten stromen, omdat anders schade aan de nieren ontstaat. Het plaatsen van een katheter waardoor de urineafvoer plaats vindt, zal de klachten direct verminderen. 
     
    Het inbrengen van een slangetje via de plasbuis is de beste oplossing. Als dat niet mogelijk is zal de uroloog het slangetje via de buikwand in de blaas brengen (suprapubische katheter). Eventueel moet verder onderzoek uitwijzen wat de oorzaak is van de urineretentie en of er gevolgen zijn. Daarna kan een behandeling volgen die op de oorzaak is afgestemd. 
     
    Mogelijke behandelingen chronische urineretentie
    Bij chronische urineretentie volgt behandeling afgestemd op de oorzaak. Dit kunnen mogelijke behandelingen zijn (u kunt er op klikken voor meer informatie):
     

    Leefstijladviezen

    Door op een goede manier naar het toilet te gaan, kunnen uw blaas en darmen beter werken. De continentieverpleegkundige kan u hierover adviseren.

    Lees meer over een goede toilethouding in deze folder

    Zelfkatheterisatie

    Een katheter is een slangetje dat de urine vanuit de blaas afvoert naar een opvangzak. Hierover krijgt u uitleg van de continentieverpleegkundige.

    Lees meer over de katheter in deze folder

    Bekkenfysiotherapie

    Door het volgen van bekkenfysiotherapie leert u uw bekkenbodemspieren zo te gebruiken dat zij beter hun werk doen.

    Lees meer over bekkenfysiotherapie in deze folder

    Neuromodulatie (InterStim Therapie)

    Bij neuromodulatie worden lichte elektrische impulsen afgegeven aan de zenuwen in uw onderrug (net boven het stuitje). Deze zenuwen regelen onder meer de werking van uw blaas. De klachten die u heeft, komen doordat de zenuwen verstoorde signalen doorgeven aan uw hersenen. Bij neuromodulatie worden deze overstemd door goede signalen. Daardoor krijgen uw hersenen weer de juiste signalen en krijgt u uw blaas (meer) onder controle. Een inwendige neurostimulator blijft de rest van uw leven zitten.

    Onder de huid
    De neurostimulator  wordt onder uw huid ingebracht. U bedient de neurostimulator met een afstandsbediening.

    Lees meer over de behandeling met neuromodulatie in deze folder

    PTNS 

    PTNS (Percutane Tibial Nerve Stimulation) is een vorm van neurostimulatie. Hierbij worden met een dun naaldje stroomimpulsjes gegeven aan de lange beenzenuw in het onderbeen net boven de binnenzijde van het enkelgewricht. Via prikkeling van de onderbeenzenuw wordt ook de 3e heiligbeenzenuw geprikkeld met hetzelfde effect voor de blaas. Dit heeft een ontspannende werking op de blaasspier. U wordt één keer per week een half uur behandeld, gedurende 12 weken. 

  5. Herstel

    Na de behandeling

    Als een risicofactor de urineretentie heeft uitgelokt, ontstaat meestal geen nieuwe retentie na verwijdering van de katheter. In andere gevallen krijgen patiënten vaak opnieuw last van niet of niet goed kunnen plassen.  
     

U bent nu hier

HomepageBekkenbodemcentrumAandoeningenBlaasklachtenNiet goed leeg kunnen plassen
Naar boven