Met een beademingsmachine kunnen we zo lang als nodig is de ademhaling van de patiënt overnemen of ondersteunen. Om met de beademingsmachine te kunnen beademen krijgt de patiënt een buisje ingebracht in de luchtpijp (tube). Voor het inbrengen van dit buisje (tube) wordt de patiënt met behulp van medicijnen in slaap gebracht. Meestal brengt de anesthesioloog deze tube in.
De beademingsmachine is op veel verschillende manieren in te stellen en deze instelling wordt steeds aangepast aan de behoefte van de patiënt. Door het observeren van de patiënt, diverse metingen via de monitor, beademingsmachine en bloeduitslagen wordt beoordeeld wat de beste instelling is.
In slaap houden
Tijdens de periode van beademing wordt de patiënt vaak in slaap gehouden met behulp van medicijnen. Deze medicijnen zijn niet schadelijk voor de hersenen. Als de lichamelijke toestand weer wat verbetert, mag de patiënt wakker worden. De slaapmedicijnen worden dan gestopt. Het kan een paar dagen duren voor de slaapmiddelen zijn uitgewerkt en de patiënt wakker wordt.
Hoesten
De patiënt kan niet zelf ophoesten tijdens de beademing. Regelmatig wordt het slijm door de verpleegkundige weggezogen.
Ontwennen van de beademingsmachine
Als de toestand van de patiënt verbetert beginnen we langzaam met het ontwennen (weanen) van de beademingsmachine. Stapsgewijs gaat de patiënt steeds meer zelf ademen en ondersteunt de machine steeds minder. Als de periode van beademing lang is geweest en de patiënt heel ziek was, is de patiënt erg verzwakt. Het kost dan meer moeite om weer volledig zelf te kunnen ademen. Deze periode is voor de patiënt en voor de naaste/familie vaak moeilijk. De patiënt weet meestal niet wat er allemaal gebeurd is en begrijpt niet alles even goed. Soms raken patiënten hierdoor in de war of worden onrustig.
Communicatie
Er is meestal een periode dat de patiënt al wakker is maar nog steeds aan de beademingsmachine ligt. Het buisje waardoor beademd wordt zit in de luchtpijp tussen de stembanden door. De patiënt kan hierdoor niet praten. De communicatie kan dan lastig zijn. Met 'ja' knikken of 'nee' schudden, knijpen in handen en soms met gebruik van letter- of woordenlijst is er wel contact mogelijk.
Tracheostoma
Wanneer de patiënt langere tijd beademd wordt, wordt het buisje soms verplaatst van de mond naar de hals. Dit wordt een tracheostoma genoemd. Dat is comfortabeler voor de patiënt. Ook als het ontwennen van de beademingsmachine moeilijk gaat wordt soms een tracheostoma ingebracht.
Telefoonnummers
Locatie Dordwijk:
(078) 652 35 10
Locatie Zwijndrecht:
(078) 654 11 18
Algemeen mailadres:
info@asz.nl
Volg ons op: